Het is half vijf, Hanoi ontwaakt. Eenieder begint de dag met een rondje hardlopen, doet haar oefeningen of traint driftig tussen twee dranghekken de nieuwe kuur om Epke Zonderland te kunnen onttronen in Rio. De parken en straten langs het meer veranderen in een outdoor gymzaal waar Thai Chi, Badminton en ‘Shuttle Voetbal’ worden afgewisseld en hier en daar zonder moeite of gêne een zuivere rochel op de grond wordt gekwakt. De stad komt langzaam in beweging. Naast de groenteboer, die keurig de verse oogst van de dag op kleur sorteert, wordt door de buurman de stoep geveegd. De slager aan de andere zijde kijkt wat minder blij, want zijn zorgvuldig geordende vlees wordt bedolven onder een laagje stof. Over het algemeen is er nog weinig verkeer dat de rust verstoort. Even later krioelen de (honderd)duizenden scooters en enkele fietsers in een georganiseerde chaos door de straten, al toeterend banen ze zich een weg door het uit de kluiten gewassen dorp. De buurvrouw die zojuist de stoep stond te vegen, zet nu haar knalroze ‘Hello Kitty’ helm op haar hoofd, schuift geroutineerd een mondkapje voor haar neus en mond en start gehuld in een gebloemd regenjack de motor. Ze mengt zich eenvoudig tussen de andere weggebruikers, die inmiddels nog harder toeteren. Er wordt harder getoeterd en je zou denken dat iedereen Kitty – ondanks de vermomming – herkent, maar het is meer een toeter met de betekenis “pas op ik kom langs met de complete gordijnrails van zes meter lengte inclusief over de grond slepende gordijnen!” Of het is de eierboer die op zijn iPhone behendig een spelletje speelt terwijl hij de leg van de dag vervoert met stapels kartonnen dozen achterop en om de haverklap stopt om iemand een plastic zakje met eieren te verkopen, als het niet inmiddels klutseieren zijn. In Hanoi wordt werkelijk alles, maar dan ook alles met de scooter vervoerd, hele verhuizingen worden achterop gebonden.

Ik baan mijzelf een weg tussen de op het trottoir geparkeerde scooters en steek met goede moed en gesloten ogen de straat over. Wanneer ik mijn ogen weer open, blijk ik zowaar zonder schram de overkant te hebben bereikt. Om mij heen hoor ik geluiden alsof ik mij in een werkplaats van de autogarage bevind. Niets blijkt minder waar. De straat waar ik loop is duidelijk de ‘Auto onderdelen Hang’, waarbij ‘Hang’ overeenkomt met onze ‘straat’ of ‘laan’ en je aan geuren, kleuren, geluiden en goederen kunt herkennen in welke ‘hang’ je uithangt.

Een dag later neem ik de bus naar Sapa, een kleurrijk bergdorp tegen de Chinese grens in het noorden. Het blijkt een stuk frisser en de regen zorgt er helaas voor dat het uitzicht wat wordt belemmerd door de laaghangende wolken. Ik maak mijzelf klaar voor een meerdaagse trekking. Vol goede moed en de ervaring uit Nepal een aantal jaren geleden, bind ik mijn wandelschoenen stevig aan en vul mijn kleine backpack met droge kleding, poncho’s en wat andere essentiële spullen. Als volleerde berggeiten stuntelen we door de eerste rijstterrassen langs de berg naar het dal. Stuntelen blijkt het enige juiste woord, want de route is zó modderig dat ik een keer op mijn billen beland en een paar meter naar beneden glijd. Aan mijn spijkerbroek te zien, krijgt iedereen die me niet heeft zien glijden de indruk dat ik met diarree te laat was voor het toilet. De gezellige groep – gehuld in bontgekleurde poncho’s – baant zich een weg naar beneden. Heel even dreig ik te gaan klagen, omdat ik me afvraag waarom we in gódsnaam tot ons enkels in de modder staan en de tocht niet is afgelast, maar al gauw verbijt ik mezelf en realiseer me dat niemand me heeft gevraagd om dit te doen. Ik heb er zelf voor gekozen, wilde me graag laten omgeven door de prachtige natuur en bevolking en voor ik het in de gaten heb, sta ik met mij handen in de zij het uitzicht te bewonderen. Met een brok in mijn keel..

De gids wordt vergezeld door haar dorpsgenoten. Terwijl ik mijn x-benen in de grond vastnagel om een val te voorkomen, schieten zij langs mij op hun plastic regenlaarsjes om mij daar waar nodig de helpende hand te bieden. Ik weet natuurlijk allang dat mijn ‘buddy’ me aan het einde van de tocht een aantal handgemaakte tasjes en armbandjes wil verkopen. Een voor een stellen de meisjes en dames de vraag hoe oud ik ben, waar ik vandaan kom en wat mijn naam is, ze weten je in te palmen. Allemaal hebben ze Engels leren spreken dóór het toerisme, stukje bij beetje en nog heel goed verstaanbaar ook. Ze lopen kilometers met ons mee, met het uiteindelijke doel de handwerkjes te verkopen, voor een paar cent per stuk. De mannen verzamelen hoger in de bergen het hout en de allerkleinste kinderen gaan god zei dank naar school. Tegen mijn principes in, weet ik dat het hier te laat is om het toerisme in goede banen te begeleiden. Ik vind het schrijnend om te zien hoe het toerisme hier een dwingende richting geeft aan de bevolking, maar het is zoals het is.

Na een tocht van ruim zeven uur komen we moe, maar voldaan aan bij onze ‘homestay’. Ondanks het feit dat ik weer een illusie armer ben betreffende de definitie door het bordje WiFi dat direct op de muur prijkt, weet ik het bijzonder te waarderen om bij mensen thuis te mogen logeren. Er is een warme douche en er wordt een kopje thee in mijn handen gedrukt. De kinderen zijn blij en willen op de rug van mijn reisgenoten klimmen en een rondje door het dorp lopen. De geuren uit het keukentje verklappen dat er wederom een zalig diner voor ons wordt bereid. Ik bied de tandeloze, maar goedlachse vrouw des huizes de helpende hand en snijd wat verse groenten. Na het diner krijgen we nog wat shotjes ‘happy water’, een huisgemaakt drankje smakend naar spiritus.

De volgende ochtend word ik gewekt met de geur van banana pancakes. Mijn dag is direct goed en ik klauter de vliering af, met ietwat stijve kuitjes. Als ik beneden ben, zie ik dat het is opgeklaard en ik neem plaats op de balustrade, staar in de verte, zie hier en daar een gevlochten puntig hoedje boven de rijst uitsteken. Het watje in mij komt los en ik begin te snikken, realiseer me heel goed waar ik me mag bevinden en hoe gelukkig ik ben. De tranen biggelen over mijn wangen. Ik word op mijn rug getikt, het lieve jongetje wil met me knikkeren..dat is lang geleden, maar ik blijk het niet verleerd. Na het ontbijt vervolgen wij onze weg terug naar Sapa.

Onderweg staart de Fansipan mij vanaf eenzame hoogte (3100m) aan. Ik overweeg heel even om mijn trip te verlengen, maar het wordt mij wijselijk afgeraden door de gids, het is te glad en erg koud boven. Ik vouw mij die avond op in de slaapbus en vervolg mijn route naar Cat Ba Island aan de kust. Duizenden eilandjes en rotsen kijken mij nu aan. Morgen maken we een rondvaart door dit natuurverschijnsel.

2 reacties op Verhuizen in Hanoi en glibberen in Sapa

    • Wat leuk dat je gekeken hebt! Ik ben inmiddels in Phong Nha. Gaan zo eens een kijkje nemen. Hebben jullie genoten van Ninh Binh? Goede reis verder!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *